De Bataafse Republiek (1795-1806)
In de tweede helft van de achttiende eeuw ontstond in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden in toenemende mate onvrede over de bestaande politieke en maatschappelijke orde. In brede kringen leefde de gedachte dat de eens zo machtige Republiek in verval was geraakt, en dat veranderingen op economisch, sociaal en politiek vlak nodig waren om dit verval te keren. Het uitbreken van de Vierde Engelse Oorlog (1780-1784) tussen de Republiek en Engeland bleek het startsein voor een protestbeweging waarvan de leden zich ‘patriotten’ noemden. Het belangrijkste bezwaar van de patriotten was de positie van stadhouder Willem V van Oranje (1748-1806), die in de ogen van de patriotten te veel macht bezat. Zo ontvouwde zich een strijd tussen de aanhangers van de stadhouder en de patriotten. De aanhangers van de patriottenbeweging ageerden niet alleen tegen de positie van de stadhouder, maar steeds heviger tegen het gehele politieke bestel van de Republiek. Geïnspireerd door de ideeën van de Verlichting en de Amerikaanse Revolutie pleitten zij voor een democratischer bestuur.
Tussen 1783 en 1787 wisten de patriotten, die zich verenigd hadden in gewapende genootschappen, in een aantal steden en gewesten de macht over de nemen. Zozeer zelfs dat in 1785 stadhouder Willem V zich genoodzaakt zag uit te wijken naar Nijmegen. In 1787 besloot de koning van Pruisen de stadhouder te helpen en stuurde hij een leger naar de Republiek. De komst van het Pruisische leger betekende het einde voor de patriottenbeweging, die in korte tijd verslagen werd. Vele revolutionairen ontvluchtten de Republiek en zochten voor korte of langere tijd een veilig heenkomen.
Maar de rust was slechts tijdelijk teruggekeerd. Patriotten gingen door met hun activiteiten, al deden ze dat nu vooral in geheime genootschappen of als banneling in Frankrijk. Bovendien brak in 1789 de Franse Revolutie uit, en de Fransen waren stellig van plan de Revolutie te delen met de rest van Europa. In 1793 besloot de Franse regering om de Republiek binnen te vallen. Dit tot grote vreugde van de Nederlandse bannelingen die hier al jaren voor gepleit hadden. De invasie van 1793 mislukte, maar in de winter van 1794/95 werd een nieuwe poging ondernomen. Het Franse leger onder leiding van generaal Pichegru trok de bevroren rivieren over en wist in een aantal weken de Republiek te veroveren. De Bataafse Revolutie die op de inval volgde werd voltrokken door de revolutionairen uit de Nederlandse genootschappen, in samenwerking met de teruggekeerde patriotse ballingen. Op lokaal, en vervolgens op provinciaal en nationaal niveau werden de oude bestuurders afgezet en vervangen door revolutionairen. Nadat stadhouder Willem V naar Engeland was gevlucht, werd de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden op 19 januari 1795 omgedoopt tot de Bataafse Republiek. Deze naam was ontleend aan de Germaanse stam van de Bataven, die in de vroegmoderne tijd gezien werden als de vroegste bewoners van het latere Nederland en daarmee als de voorvaderen van de Nederlandse natie.
De Bataven gingen meteen aan het werk met het vormgeven van hun ideale samenleving. In januari 1795 werden de Rechten van de Mens en van de Burger afgekondigd, en al snel werd de wens geuit om de Bataafse Republiek van een grondwet te voorzien. Hierin zouden de belangrijkste idealen van de Bataven uitgedrukt moeten worden, zoals volkssoevereiniteit, de hervorming van het staatsbestel en het onderwijssysteem, vrijheid van de pers, en de afschaffing van gilden, erfopvolging en familieregering. Na een moeizaam onderhandelingsproces tussen de verschillende provincies werd besloten tot de oprichting van een nationaal parlement, Nationale Vergadering geheten, dat het bestuur van de Staten-Generaal overnam en een grondwet voor het hele Bataafse volk diende te ontwerpen. Op 1 maart 1796 kwamen de eerste democratisch verkozen volksvertegenwoordigers van Nederland bijeen in Den Haag. Op 8 augustus 1797 werd het ontwerp van de grondwet per referendum aan het volk voorgelegd – en weggestemd. Onenigheid onder de Bataven over een aantal uitgangspunten hadden geleid tot een ontwerp waarin de meeste Nederlanders zich niet konden vinden; bovendien hadden de tegenstemmers een succesvolle mediacampagne tegen de grondwet gevoerd. De belangrijkste discussies gingen over de vraag of Nederland, dat tot dan toe een confederatie van soevereine provincies was geweest, een eenheidsstaat moest worden, over de vraag of er een absolute scheiding tussen kerk en staat moest worden ingevoerd, en over de vraag hoe groot de invloed van het volk op de regering moest zijn.
Na het mislukte referendum ging in september 1797 een tweede Nationale Vergadering van start. Ook zij stelde moeizame pogingen in het werk een nieuwe grondwet te ontwerpen, totdat op 22 januari 1798 een staatsgreep hieraan een einde maakte. Een groep radicale Bataven onder leiding van Pieter Vreede (1750-1837) en Wijbo Fijnje (1750-1809) greep die dag met hulp van Franse troepen de macht om de impasse in het politieke proces te doorbreken. Een paar maanden na de machtsovername werd een nieuw grondwetsontwerp aan het volk voorgelegd. Het ontwerp werd nu wel aangenomen en met de Staatsregeling van 1798 was de eerste grondwet van Nederland een feit. Erg lang kon het radicale bewind niet van haar macht genieten. Veel Bataven, ook onder degenen die de staatsgreep van 22 januari hadden gesteund, keerden zich tegen de politieke zuiveringen die het nieuwe bewind doorvoerde, en tegen de in hun ogen ongrondwettige beslissing van Vreede en de zijnen om een deel van de volksvertegenwoordiging in functie te laten. Op 12 juni 1798 volgde dan ook een nieuwe staatsgreep waarmee de meer gematigde Bataven de macht overnamen. Zij lieten de Staatsregeling echter intact en begonnen haar uitgangspunten in de praktijk te brengen.
De hervorming van Nederland tot een gecentraliseerde staat verliep echter minder voorspoedig dan gehoopt, niet in de laatste plaats door de verslechterende economische positie van de Republiek als gevolg van de voortdurende Europese oorlogssituatie. Verschillende Bataven raakten overtuigd van de noodzaak de grondwet te hervormen en de radicale centralisering en democratisering van de Republiek gedeeltelijk terug te draaien om het land op die manier beter bestuurbaar te maken. Het Uitvoerend Bewind (de uitvoerende macht) deed dan ook een voorstel voor een grondwetsverandering, maar deze werd weggestemd door de wetgevende vergadering, aangezien de Staatsregeling had bepaald dat de grondwet pas in 1804 herzien mocht worden. De impasse leidde in september 1801 tot een nieuwe staatsgreep en een nieuwe grondwet die gemodelleerd was naar de wensen van het Uitvoerend Bewind en de regering in Frankrijk. Daar was in 1799 Napoleon Bonaparte aan de macht gekomen, en de nieuwe leider van Frankrijk was vastbesloten de tot dan toe grotendeels onafhankelijk Bataafse Republiek directer onder zijn invloedssfeer te plaatsen.
Vanaf 1801 werden vele veranderingen die in 1795 waren ingezet ongedaan gemaakt. De invloed van het volk op de regering werd sterk teruggeschroefd, de provincies kregen meer macht ten opzichte van de nationale regering, de afgeschafte gilden keerden terug, evenals de oude regentenfamilies die de macht in de Republiek voor 1795 in handen hadden gehad. Bovendien werden, in het kader van een ‘nationale verzoening’ die een eind moest maken aan de factiestrijd, de aanhangers van de Oranjes weer toegelaten tot publieke functies. Deze maatregelen leidden tot onvrede onder verschillende democratisch gezinde Bataven die hun revolutie in rook zagen opgaan. Het was echter Napoleon die de zaken naar zich toetrok. In 1805 besloot de Franse vorst dat het huidige bestuur niet daadkrachtig genoeg was, en stelde hij een autoritair bewind in. Vanaf nu zou de Republiek geleid worden door een raadpensionaris, een functie die haar naam ontleende aan een regeringsambt van de oude Republiek maar inhoudelijk meer leek op een presidentschap. Rutger Jan Schimmelpenninck (1761-1825), een vooraanstaand patriot en Bataafs staatsman, werd aangesteld als raadpensionaris, maar zou dit slechts een jaar blijven. Napoleon bleek er niet gerust op dat Schimmelpenninck, die bovendien door een oogziekte bijna blind was geworden, de wensen van de keizer strikt op zou volgen. In 1806 maakte Napoleon zijn broer Lodewijk Napoleon tot koning van de Nederlandse staat, die de naam Koninkrijk Holland ging dragen. Daarmee kwam na elf jaar een einde aan de Bataafse Republiek.






